De stadhouderlijke grafruimte in het koor

De eerste Friese stadhouder was graaf Willem Lodewijk ook bekend als Ús Heit. Willem Lodewijk huwde in 1587 met zijn nicht Anna van Oranje. Zij was een dochter van Willem van Oranje die in 1584 te Delft was vermoord. Het huwelijksgeluk duurde helaas niet lang want al op 13 juni 1588 stierf Anna op het Botniahuis te Franeker. Anna werd slechts 26 jaar oud. Willem Lodewijk kreeg toen van het stadsbestuur van Leeuwarden toestemming zijn gestorven echtgenote bij te zetten in het koor van de Jacobijnerkerk. In 1591 kwam er een monument ter nagedachtenis aan haar. Dit grafmonument werd in 1591 vervaardigd door Johan Schoorman, een beeldhouwer uit Gent. Het was gemaakt van zwart marmer. Hierop lag Anna levensgroot afgebeeld uitgehouwen in wit albast Aan hoofd en voeteneinde van de tombe waren twee wapenstenen bevestigd. Ook waren er zestien schilden met de wapens van haar betovergrootouders aan de beide zijden van het monument aangebracht.

Tweeëndertig jaar na zijn vrouw, in 1620, stierf Willem Lodewijk op zestig jarige leeftijd. Hij had bepaald dat hij in Groningen of Leeuwarden begraven wilde worden afhankelijk van waar hij zou komen te overlijden. Dat was dus Leeuwarden en Ús Heit werd bijgezet naast zijn vrouw in de grafkelder van de Grote Kerk. Voor een monument te zijner nagedachtenis mocht 2000 of 3000 Carolusguldens worden uitgetrokken. Dat kwam er dan ook .Het was een ontwerp van Pieter Hendricksz. de Keyser en werd uitgevoerd door een onbekende leerling . Het kwam gereed in 1625. Van dit monument bestaat nog een werktekening. De stadhouder was in het midden levensgroot afgebeeld, knielend op een kussen met naast zich zijn helm. Links en rechts geflankeerd door twee vrouwenfiguren die de Standvastigheid (met pilaar) en de Voorzichtigheid (met spiegel) moesten voorstellen. Achter de stadhouder waren de wapens van zijn acht overgrootouders te zien. In de top van het monument was het wapen van Willem Lodewijk te vinden gedekt door drie helmen en helmtekens.

Gravure van het grafmonument van Willem Lodewijk en de tombe van Anna van Oranje.

Na de dood van Willem Lodewijk werd zijn broer Ernst Casimir stadhouder van Friesland, Groningen en Drente. Hij was gehuwd met Sophia Hedwig van Brunswijk. In 1628 werden van dit echtpaar twee jonggestorven kinderen in de kelder bijgezet. Graaf Ernst Casimir werd in 1632 tijdens het beleg voor de stad Roermond getroffen door een kogel in het hoofd en overleefde dit niet.
Begin 1633 werd zijn gebalsemd lichaam in de kelder bijgezet . Acht jaar later, in 1641 stierf zijn zoon Hendrik Casimir I aan verwondingen die hij had opgelopen tijdens het beleg voor Hulst. Ook zijn lichaam werd in de stadhouderlijke ruimte geplaatst. Een jaar later gevolgd door zijn moeder Sophia Hedwig van Brunswijk. De kelder raakte inmiddels aardig vol .
In 1640 was door de magistraat van de stad Leeuwarden besloten “de kelder in Jacobinerkerck tot insettinge van het Lijck van wijlen Graef Hendrick van Nassau Saliger gedachtenis”groter te maken. De kelder werd naar het westen uitgebreid en kwam plm een halve meter hoger te liggen dan de bestaande. Het gekke is echter dat uit een beschrijving van de grafruimte uit 1768 en 1770 blijkt dat Hendrick Casimir en zijn moeder niet in dit gedeelte waren bijgezet.
De eerste die in de nieuwe kelder werd bijgezet was Willem Frederik, broer en opvolger van Hendrik Casimir. Deze stierf door een ongeluk met zijn pistool. Tijdens het schoonmaken daarvan ging het plotseling af waardoor de graaf zwaar verwond werd en enkele dagen later stierf.. Dat was in 1664. Willem Frederik was gehuwd met Albertina Agnes een dochter van Frederik Hendrik, landelijk stadhouder in den Haag en Amalia van Solms.
Wie geïnteresseerd is in het hofleven van die tijd moet voor de aardigheid eens het prachtige boek van Luuc Kooiman Liefde in opdracht lezen. Een dochtertje van dit echtpaar Sophia Hedwig (genoemd naar beppe!) stierf reeds in 1667 en werd uiteraard ook in de kelder begraven. Het moet tragisch voor moeder Albertina Agnes zijn geweest om te moeten meemaken dat haar zoon Hendrik Casimir II die zijn vader Willem Frederik als stadhouder was opgevolgd, in maart 1696 stierf. Albertina verwisselde twee maanden later, in mei 1696, het tijdelijke met het eeuwige. Ook zij werd bijgezet in de kelder.

Ook de nieuwe kelder was inmiddels vol zodat de weduwe van Hendrik Casimir II Henriëtte Amalia van Anhalt Dessau op-dracht gaf aan architect Pruymer de kelder te vergroten in westelijke en zuidelijke richting. Zij deed dit echter op eigen houtje zonder het stadsbestuur daarin te kennen. Dat had inmiddels vernomen dat men tot dicht bij de fundering van het koor van de kerk was gaan graven zodat men bang was” dat daer besonderlick bij het tegenwoordige regenachtige weer te beduchten stond dat door pers van het water het gehele choor soude komen in te storten”. De zaak werd tot genoegen van het stadsbestuur hersteld. Vanwege het feit dat het nieuwe gedeelte van de kelder voortdurend onder water stond is deze dan ook niet gebruikt.

Een oplossing voor het ruimtegebrek werd gevonden door de voormalige sacristie ten noorden van het koor gelegen en door een deur daarmee verbonden, in te richten als grafruimte voor de stadhouderlijke familie.
Dit vertrek deed in 1696 dienst als barenhok dus als ruimte waar de doodgravers hun gereedschappen bewaarden. De ruimte was in steen overwelfd en werd nu ingericht als “chapelle ardente” oftewel bovengrondse grafruimte.
Het op deze wijze bijzetten was overigens in de Nederlanden ongewoon, in tegenstelling tot de Duitse landen.
Aan de muren hingen, volgens een tijdgenoot:”Wapenen, Ornament en Gedenktekens, dewelke bij de Plegtige Lijk-statiën zijn gebezigt”. Deze ruimte bestaat nog steeds en is thans ingericht als consistoriekamer. In 1837 zijn de gewelven verwijderd en 3 grote vensters in de noord-muur gemaakt. Ook werd de ruimte d.m.v. een muur in tweeën gedeeld zodat er een voorportaal en een kerkenraadkamer ontstond. Bij de laatste restauratie is er een houten gewelf naar het oude model vervaar-digd. In deze ruimte zijn in totaal 6 per-sonen bijgezet.
Stadsarchitect Note-boom heeft in 1769 in het grafboek van de Grote kerk een schets gemaakt van deze ruimte, ook wel sepulture genaamd.

Op 18 maart 1697 werd stadhouder Hendrik Casimir II in deze ruimte bijgezet. Zijn lijk had meer dan een jaar opgebaard gestaan in het Stadhouderlijk Hof aan het Hofplein. Ook werd in dat jaar het lichaam van zijn in 1686 gestorven zoontje Willem Georg Friso uit de kelder gehaald en overgebracht naar de sepulture zodat hij bij zijn vader lag. Een andere zoon was de bekende Johan Willem Friso die op 14 juli 1711 verdronk bij de Moerdijk en wiens lichaam acht dagen later werd gevonden. Zijn bijzetting vond pas 7 maanden later plaats n.l. op 25 februari 1712. Zijn weduwe Maria Louise van Hessen - Kassel beviel later van hun zoontje Willem Carel Hendrik Friso, de latere Willem IV, die in 1731 stadhouder van Friesland werd en in 1748 benoemd werd tot erfstadhouder van alle Nederlandse gewesten. Hij is daarom te Delft bijgezet.

Willem Carel Hendrik Friso was in Londen gehuwd (1734) met de Engelse koningsdochter Anna van Hannover.
In 1739 werd een doodgeboren dochtertje en in 1746 het prinsesje Anna dat slechts zes weken oud is geworden in de sepulture bijgezet. Toen de stadhouderlijke familie in 1747 Leeuwarden verliet om zich in den Haag te vestigen bleef moeder Maria Louise van Hessen-Kassel achter in Leeuwarden. Zij woonde in haar stadspaleisje in de Grote Kerkstraat, thans het museum Prinsessehof. Zij stierf op 9 april 1765 en werd op 13 juni van dat jaar als laatste in de Grote Kerk bijgezet. De koets die de kist naar de Grote Kerk vervoerde werd getrokken door acht paarden. De rouwstoet werd gade geslagen door duizenden mensen die langs de route stonden. Maria Louise werd naast haar man, Johan Willem Friso opgebaard. Haar “eeuwige” rust zou slechts 30 jaar duren…
Tenslotte nog de wat zuinige beschrijving van een Duitse bezoeker die in 1710 in Leeuwarden onder andere de grafruimte van de Nassaus bezocht. Hij begon met de sepulture:
“ ’s middags gingen wij eerst in de grote of de SintJacobs-kerk. Niet alleen om de grafschriften maar ook om de voor enige tijd vervaardigde prinsen grafkelder en tombes, welke men ons als zeer bezienswaardig aangeprezen had. Wij vonden, dat de kelder een middelmatig groot gewelf is, bezijden de kerk, waarin twee tinnen vergulde kisten staan, die wel aan de Hollanders wellicht als iets bijzonders voorkomen, maar niet aan hem, die meer vorstelijke grafkelders en grafplaatsen gezien heeft.”
Na een bezoek aan de sepulture ging de bezoeker naar het koor: “in de kerk zelf, naast de deur van het gewelf, is het gedenkteken van Willem Lodewijk, graaf van Nassau. Het is een gedenkteken van albast en zwart marmer van middelmatige grootte en kunst. Vlak daarbij, in het midden van het koor der Kerk, ligt zijn gemalin Anna, op een verhoogde zerk of voetstuk van albast en marmer”.

Geciteerd uit " De Jacobijner, hart van Leeuwarden" auters Ad Fahner en Jes Wassenaar.